Waarheen, waarvoor
(een vervolgverhaal over een geheimzinnig zeilschip)
17 juli 2026
Rom Molemaker -zanger en Shanty bij Windstilte- heeft talloze boeken op zijn naam staan. Speciaal voor de volgers van deze site schrijft hij nu hier over Ramses. Veel plezier!

(vervolg van de vorige keer)
Als Ramses zijn ogen weer opent ziet hij drie dingen: het water, de blauwe lucht en de horizon. De laatste niet alleen voor zich uit, maar ook achter zich, links en rechts, overal. Als een reusachtige cirkel, met de Welvumerstroom in het middelpunt. Hij moet in slaap gevallen zijn. Overweldigd door de ruimte zit hij in de stuurhut, en hij heeft geen idee van de koers die hij moet kiezen.
Er staat een lichte bries uit het westen, voorzover Ramses het kan bepalen. Maar westen, oosten, zuiden, noorden, het lijkt niet uit te maken waarheen hij vaart, het is om het even. Een lied van Mieke Telkamp drijft zijn herinnering binnen.
Alleen heel in de verte, aan bakboordzijde schuin voor hem uit, lijkt de lucht zwaarder te worden, minder helder. Hij stelt zijn verrekijker scherp, maar het enige wat hij ziet is een mistbank die de horizon daar verbergt, zonder duidelijkheid, geen schepen bijvoorbeeld. Hm, niks geks, denkt hij. Het is een mistbank, niet ongewoon op zee.
Maar als hij er even later opnieuw naar kijkt is de mist dichterbij gekomen, veel dichterbij, verontrustend veel, zoveel wind staat er niet. En de vorm van de mistbank jaagt hem schrik aan. Als een brede, rollende wals komt hij zijn kant op. Met uitpuilende ogen kijkt Ramses ernaar, vastgenageld op zijn stuurstoel.
Dan klinkt vanuit de mist opeens het geluid van een bel, zes slagen telt hij. Over het grauwe water drijft een ijl gezang naar hem toe. Een onbekend lied, waarvan hij de tekst niet kan verstaan.
In de mist verschijnt een donkere schim, eerst nog onduidelijk, die dan langzaam de vorm aanneemt van een groot zeilschip. Geen schip uit deze tijd, maar een VOC - schip, een varend stuk geschiedenis, vol opgetuigd. De zeilen aan de drie masten staan bol, en dat terwijl er nauwelijks of geen wind staat, en de wind díe er staat heeft het schip tegen.
Ramses staat op, gaat als door een automatische piloot aangedreven de stuurhut uit - hé, die had ik toch op slot gedaan? - en loopt naar de reling. Als betoverd kijkt hij toe. Het imposante schip vaart geluidloos aan hem voorbij.
In deze tijd? Zo'n oud schip? Tegen de wind in?
Er bewegen menselijke schimmen over het dek, maar er klinkt geen woord, geen stem.
En dan komt er een verhaal bij Ramses binnen, een verhaal dat hij vroeger op school heeft gehoord, en hij weet opeens zeker welk schip dit is. Het is De Vliegende Hollander!
Zijn lippen zeggen de naam, zonder geluid.
De Vliegende Hollander, met kapitein Willem Den Decker, die in vliegende storm op Paaszondag,
alle waarschuwingen ten spijt, de haven uitvoer om de Kaap te ronden. Dat alles om geldgewin, om zo snel mogelijk Batavia te bereiken.
De bemanning was daar niet blij mee.
'Het is Pasen, kapitein,' zei de stuurman. 'De Heere zal zijn toorn tegen ons ontsteken. Op deze dag uitvaren is vragen om problemen.'
'Problemen?' zei Den Decker. 'Jíj hebt problemen!' Hij greep de stuurman, die klein van stuk was, bij kop en kont en smeet hem over boord.
'God of de duivel!' brulde hij. 'De Kaap vaar ik om, al moet ik varen tot het laatste oordeel!'
Zo riep hij de vloek uit over zichzelf en zijn schip, inclusief de bemanning, over zich af. Vanaf die dag vaart De Vliegende Hollander doelloos over de wijde oceanen, terwijl de vervloekte bemanning zwijgend haar taken uitvoert.
'De Vliegende Hollander en de Welvumerstroom,' stamelt Ramses Potjewijd. 'Wat een ontmoeting!'
|