Waarheen, waarvoor

(een vervolgverhaal over een geheimzinnig zeilschip)

Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3


Rom Molemaker -zanger en Shanty bij Windstilte- heeft talloze boeken op zijn naam staan. Speciaal voor de volgers van deze site schrijft hij nu hier over Ramses.





Hoofdstuk 1

Op een dag heeft Ramses Potjewijd, kapitein van de veerboot Welumerstroom, varend tussen Haddok haven aan de wal en het eiland Welvum, er genoeg van. Elke dag vier keer hetzelfde stuk van drie kwartier van vertrek naar aankomst, en ook weer andersom, en dat al meer dan vijftien jaar is geestdodend, bijna slaapverwekkend. Ramses kan het grootste deel van het traject met zijn ogen dicht afleggen, geen probleem. Hij heeft dat ook wel eens gedaan, al is dat riskant. De kans bestaat dat hij dan echt in slaap valt, en dan zijn veerboot total loss knalt tegen de kadewand.
Hij staat in de stuurhut en kijkt mistroostig naar de passagiers op het dek. Het zijn er drie: Steef Dikke, een mager, schriel mannetje dat met zijn bestelbus volgeladen met rookwaar en alcoholhoudende dranken weer op weg is naar zijn winkeltje ‘Uw Genot’ op het eiland.
De vrachtwagenchauffeur Sip Hoofd brengt een lading hout naar Welvum. Het is bestemd voor een duurzaam bouwproject van aannemersbedrijf Tim Hamer (voor al uw houten klussen). Sip heeft het hout uit Zweden gehaald, en hij verheugt zich erg op de thuiskomst bij zijn vrouw Beppie, (meisjesnaam Stuk). Hij is meer dan een week weggeweest.
De derde passagier is Jacobien Mepstra, onderwijzeres op basisschool ‘Het Opstapje.’ (volgens veehouder Wobbe Vlaai, die drie keer is blijven zitten, ‘Het Opstapje Terug)
Drie kwartier varen voor drie mensen vindt Ramses op zich geen probleem, maar elke keer hetzelfde stuk wel. Als hij aan de toekomst denkt ziet hij een woestenij van verveling voor zich.
‘Helemaal klaar mee,’ zegt hij hardop. Hij grijpt het stuurwiel stevig beet, verlegt de koers negentig graden naar bakboord, zet koers naar de zeestraat tussen Welvum en het naastgelegen eiland Vomerum, en vaart dan recht zo die gaat de zee op, richting Beringstraat. Hij draait de deur van de stuurhut op slot en leunt achterover in zijn stuurstoel.
Met gesloten ogen droomt hij van onbekende kusten. Het avontuur roept.

Hoofdstuk 2

Als Ramses zijn ogen weer opent ziet hij drie dingen: het water, de blauwe lucht en de horizon. De laatste niet alleen voor zich uit, maar ook achter zich, links en rechts, overal. Als een reusachtige cirkel, met de Welvumerstroom in het middelpunt. Hij moet in slaap gevallen zijn. Overweldigd door de ruimte zit hij in de stuurhut, en hij heeft geen idee van de koers die hij moet kiezen.
Er staat een lichte bries uit het westen, voorzover Ramses het kan bepalen. Maar westen, oosten, zuiden, noorden, het lijkt niet uit te maken waarheen hij vaart, het is om het even. Een lied van Mieke Telkamp drijft zijn herinnering binnen.
Alleen heel in de verte, aan bakboordzijde schuin voor hem uit, lijkt de lucht zwaarder te worden, minder helder. Hij stelt zijn verrekijker scherp, maar het enige wat hij ziet is een mistbank die de horizon daar verbergt, zonder duidelijkheid, geen schepen bijvoorbeeld. Hm, niks geks, denkt hij. Het is een mistbank, niet ongewoon op zee.
Maar als hij er even later opnieuw naar kijkt is de mist dichterbij gekomen, veel dichterbij, verontrustend veel, zoveel wind staat er niet. En de vorm van de mistbank jaagt hem schrik aan. Als een brede, rollende wals komt hij zijn kant op. Met uitpuilende ogen kijkt Ramses ernaar, vastgenageld op zijn stuurstoel.
Dan klinkt vanuit de mist opeens het geluid van een bel, zes slagen telt hij. Over het grauwe water drijft een ijl gezang naar hem toe. Een onbekend lied, waarvan hij de tekst niet kan verstaan.
In de mist verschijnt een donkere schim, eerst nog onduidelijk, die dan langzaam de vorm aanneemt van een groot zeilschip. Geen schip uit deze tijd, maar een VOC - schip, een varend stuk geschiedenis, vol opgetuigd. De zeilen aan de drie masten staan bol, en dat terwijl er nauwelijks of geen wind staat, en de wind díe er staat heeft het schip tegen. Ramses staat op, gaat als door een automatische piloot aangedreven de stuurhut uit - hé, die had ik toch op slot gedaan? - en loopt naar de reling. Als betoverd kijkt hij toe. Het imposante schip vaart geluidloos aan hem voorbij.
In deze tijd? Zo'n oud schip? Tegen de wind in?
Er bewegen menselijke schimmen over het dek, maar er klinkt geen woord, geen stem.
En dan komt er een verhaal bij Ramses binnen, een verhaal dat hij vroeger op school heeft gehoord, en hij weet opeens zeker welk schip dit is. Het is De Vliegende Hollander!
Zijn lippen zeggen de naam, zonder geluid.
De Vliegende Hollander, met kapitein Willem Den Decker, die in vliegende storm op Paaszondag, alle waarschuwingen ten spijt, de haven uitvoer om de Kaap te ronden. Dat alles om geldgewin, om zo snel mogelijk Batavia te bereiken. De bemanning was daar niet blij mee.
'Het is Pasen, kapitein,' zei de stuurman. 'De Heere zal zijn toorn tegen ons ontsteken. Op deze dag uitvaren is vragen om problemen.' 'Problemen?' zei Den Decker. 'Jíj hebt problemen!' Hij greep de stuurman, die klein van stuk was, bij kop en kont en smeet hem over boord. 'God of de duivel!' brulde hij. 'De Kaap vaar ik om, al moet ik varen tot het laatste oordeel!'
Zo riep hij de vloek uit over zichzelf en zijn schip, inclusief de bemanning, over zich af. Vanaf die dag vaart De Vliegende Hollander doelloos over de wijde oceanen, terwijl de vervloekte bemanning zwijgend haar taken uitvoert.
'De Vliegende Hollander en de Welvumerstroom,' stamelt Ramses Potjewijd. 'Wat een ontmoeting!'


Hoofdstuk 3

Het schip verdwijnt langzaam weer uit zicht, en Ramses haast zich terug naar de stuurhut. Hij verzet de hendel naar 'Volle kracht vooruit' en volgt het geheimzinnige zeilschip, dat inmiddels zo goed als helemaal door langzaam rondwervelende nevels is omgeven.
Het verhaal van Willem den Decker is dus niet zomaar een legende, geen verzinsel van een romantisch aangelegde zeeman met veel fantasie. Nee, het is werkelijkheid! Ramses heeft het nu met eigen ogen gezien. Hij stuurt met zijn linkerhand en houdt met zijn rechter de deur open.
'Ahoy!' roept hij opgewonden. 'Ahoy, daar! Ben jij dat, Willem Den Decker?'
Zijn stem rolt over het water en slaat dood in de mist. Ramses luistert met ingehouden adem. En als er geen antwoord komt roept hij nog een keer: 'Willem geef antwoord. Ben je daar?' Hij trekt de hendel terug tot de Welvumerstroom nauwelijks hoorbaar door het water glijdt.
En dan komt het antwoord, luid en duidelijk:
'Ahoy daar! Ja, ik ben het. Alleen is mijn naam niet Willem den Decker.'
Een siddering trekt over de rug van de verbijsterde Ramses. Dus hij is het wel, maar hij is het ook weer niet.
Halve kracht vooruit vaart hij in de richting van de stem, en al snel ziet hij de schim van het schip opdoemen. De zeilen staan nog steeds bol in wind die er niet is, maar het schip ligt, tot zijn verbazing, stil. Hij nadert de achterkant, de versierde spiegel, met de naam in gouden letters.
Dan stokt zijn adem: Daar staat niet De Vliegende Hollander, daar staat Bakzeil.
Hij is toch niet gek geworden, zeker? En welk schip het er nou Bakzeil! Hij stuurt erlangs, en dan ziet hij ook dat het helemaal geen groot VOC-schip is, maar een eenvoudige driemastbark.
Potverrottepotvis!
Er staat iemand bij de reling naar hem te kijken.
'Ahoy!' roept hij. 'Ben jij het?'
'Helemaal,' is het antwoord.
'Willem Den Decker?'
'Dat niet,' klinkt het na een paar tellen. 'Ik ben Jibbe Gaustra.'
Jibbe Gaustra, nooit van gehoord. Wel Fries, zo te horen.
Er ontstaat een totale wanorde in Ramses' hoofd. Wat, in de naam van Neptunus de Wateroverlastgevende, is hij hier eigenlijk aan het doen? Niks Vliegende Hollander. Hij had gewoon naar Welvum moeten blijven varen, de route die hij kan dromen. Niks avontuur, niks de zee op. Hij realiseert zich opeens dat hij sowieso in de problemen komt als straks de brandstof van de Welvumerstroom op is.
Hij is niet gek gewórden, hij is gek gewéést, dat hij zoiets onverantwoordelijks heeft gedaan. Misschien speelt hij wel met de levens van zijn passagiers. Waar zijn die trouwens?
En dan ziet hij ook dat de Bakzeil helemaal niet onder zeil ligt. De zeilen zijn weg! En net waren ze er nog!
De drie masten staan kaal en werkeloos overeind. Door welke spookbeelden is hij overvallen?


Wordt vervolgd...